In een zeeaquarium meet men in het algemeen de pH, het nitriet- en het nitraatgehalte.
Het kalciumgehalte wordt zelden gemeten. Toch is dit belangrijk. Veel lagere dieren hebben
calcium nodig om hun lichaam of schaal op te bouwen. Te denken valt hierbij aan de bekende
doopvontschelpen, de kalknaaldjes in het lichaam van de lederkoralen en ook, aan de
steenkoralen.
Kalk is een verbinding tussen het metaal calcium (Ca) en het gas kooldioxide (CO2). De
chemische naam voor kalk is calciumkarbonaat (CaCO3). Krijt, marmer, schelpen, het is
allemaal kalk. Kalk komt in de natuur voor in verschillende vormen, waarvan calciet en
aragoniet de belangrijkste zijn. Aragoniet lost beter op in water. Vele zeedieren maken
ook kalk. De koralen bijvoorbeeld bestaan uit aragoniet, oesterschelpen en zeeëgels uit
calciet. Aragoniet vinden we vooral in warmere wateren. Ook is er de consumptie van
calciumcarbonaat door kalkwieren, die vervolgens weer calcium produceren.
Calcium wordt daarnaast voor de vorming van calciumcarbonaat aan het water onttrokken,
hetgeen in een klein "Huiskamerzeetje" een probleem kan vormen. Nu bindt calcium
zich gemakkelijk met fosfaat. Het dan ontstane calciumfosfaat slaat neer. Het afval
(detritis) dat we zien onderin de compartimenten van filtersystemen en in holtes van
levende steen bestaat voor een substantieel deel uit calciumfosfaat. Af en toe verwijderen
kan geen kwaad.
De vraag is nu welk soort kalk geschikt is voor ons filter?
Geschikt is koraalgruis (grof of fijn), foraminiferenzand en ongebrand gruis van
oesterschelpen. Oesterschelpen en koraalgruis hebben tijd nodig om de organische
verontreinigingen die zij altijd bevatten, goed af te breken. Het filter moet dan ook pas
op het aquarium aangesloten worden als het hieruit ontstane nitriet uit het water van het
filter verdwenen is!
De kalk werkt niet onbeperkt door en van tijd tot tijd moet een gedeelte worden
vervangen. Regenereren is maar ten dele mogelijk.
De pH kan door een kalkfilter redelijk gestabiliseerd worden, maar zal toch onder de 8
dalen, daarom moet het kalkfilter toch gecombineerd worden met het van tijd tot tijd
herstellen van het bufferend vermogen door het toedienen van een oplossing van
natriumcarbonaat en -bicarbonaat of calciumcarbonaat.
Hoe komt het kalk in het filter tot oplossing?
Goed zeewater is meestal oververzadigd aan kalk. In het filter zitten kalkkorrels met
een slijmerige laag er omheen, vol met nitrificerende bacteriën. In die laag ontstaat het
salpeterzuur en dat moet meteen door de kalk worden gepakt. Wat niet door de kalk onder de
bacteriënlaag wordt geneutraliseerd, komt in het water terecht. Het tast daar alleen maar
het bufferend vermogen van het water aan. Zelfs als het zo kon zijn, dat het een volgend
kalkkorreltje bereikte, zou het toch eerst de bacteriënlaag moeten passeren om de kalk te
bereiken. Uit proeven is gebleken dat dit niet lukt.
Het zuur dat wordt geproduceerd door de bacteriën die groeien op stenen, koraalzand,
enz. komt in het water terecht en kan dus niet door kalkkorrels met bacteriën er op
worden geneutraliseerd. Het gevolg is weer een pH-daling.
In de meeste gevallen zien we dus dat in de aquaria het calciumgehalte daalt. Om dit op
peil te houden, kunnen we enkele eenvoudige kunstgreepjes uithalen:
- Periodiek (eens per maand) 10 tot 15% water verversen.
- Meer kalkhoudend materiaal in de filters gebruiken. Het gebruik van bioballen,
keramische pijp jes, etc. is zeker niet fout. Kapot geslagen levend steen en schelpen zijn
echter beter voor het op peil houden van het calcium gehalte.
- Met water aangemaakt calsium carbonaat (kalkwater) toevoegen.
Calciumchloride (voorzichtig) toevoegen.
Conclusie:
Kalk is dus onmisbaar in het biologisch filter, de pH daalt niet zo snel en de
nitrificatie verloopt beter.