|
|
|
Rondleiding in de geleiding
|
De elektrische geleidbaarheid van water. Iedereen zal er wel eens van gehoord hebben, en mischien ook niet. Voor de ene is
het een belangrijke meetwaarde van het verversingswater of het water in z'n bak de ander meet het nooit. Met dit artikel
geven we een korte rondleiding door deze materie.
De eerste vraag die we dan stellen is: Wat is het elektrisch geleidend vermogen van water?
Als we door water een elektrische stroom willen laten lopen dan moet er sprake zijn van transport van elektronen. Er is
dus alleen geleiding als er genoeg elektronen in het water aanwezig zijn om een elektrische stroom te laten lopen. In puur
gedestilleerd water zijn erg weinig vrije elektronen aanwezig. Puur water heeft dus een zeer slechte geleiding. Het heeft
een hoge elektrische weerstand.
Lossen we een stof in water op dan zal die zich splitsen in twee delen. Een positief geladen deel (kation) en een negatief
geladen deel (anion). Positieve en negatieve geladen delen worden ook wel ionen genoemd. Niet alle stoffen splitsen zich
in water in twee delen (ioniseren). Maar vooral zouten doen dat wel.
Bijvoorbeeld het oplossen van keukenzout, Natriumchloride: NaCl dat lost op in Natrium Na+ (kation) en Chloor Cl- (anion).
Hierbij zal het neutrale Natrium (Na) in het water een negatief geladen elektron afstaan en krijgt daardoor zelf een
positieve lading (daarom ook Na+). Het Chloride zal een negatief geladen elektron opnemen en krijgt daardoor een negatieve
lading (Cl-). Er is dus sprake van een elektronenstroom in het water van het opgeloste Natrium naar Chloride. Nu blijven
die elektronen niet continu bij hetzelfde anion maar springen heen en weer. Dit betekent dat er continu vrije elektronen
in het water aanwezig zijn, en zo kan het water door die extra elektronen stroom geleiden. Hoe meer geladen deeltjes in
het water (meer ionen) des te hoger de geleiding van het water. Dus hoe meer zout(en) in het water des te hoger de
geleiding, en des te lager de elektrische weerstand.
Zetten we nu op twee plaatsen in het water een elektrode en zetten er een wisselspanning op dan zal er tussen die
elektroden een stroom gaan lopen. Hoe hoger de geleiding van het water (hoe lager de elektrische weerstand) des te hoger
de elektrische stroom die er tussen de elektroden zal gaan lopen. En dat is dus wat we met een geleidbaarheidsmeter meten.
Om het uiteindelijk netjes te zeggen: De geleidbaarheid is de omgekeerde waarde van de elektrische weerstand van een
oplossing (water met zouten) gemeten over twee elektroden van 1 cm2 die op een afstand van 1 cm van elkaar zijn verwijderd
bij 25 'C. Deze geleidbaarheid wordt dan in de eenheid Siemens uitgedrukt.
Er staat een temperatuur van 25 'C genoemd bij de geleiding. Het is nl. zo dat geleiding voor een deel ook bepaald wordt
door de temperatuur. Hoe hoger de temperatuur des te hoger de geleiding. Als we dus twee geleidingsmetingen met elkaar
willen vergelijken moeten beide metingen bij dezelfde temperatuur zijn uitgevoerd of we kunnen een korrektiefaktor
toepassen volgens de volgende tabel.
Korrektiefaktor (k) voor geleiding bij een
temperatuur afwijkend van 25 °C
|
|
°C
|
k
|
°C
|
k
|
°C
|
k
|
|
16
17
18
19
20
|
1,225
1,196
1,168
1,142
1,116
|
21
22
23
24
25
|
1,091
1,067
1,044
1,021
1,000
|
26
27
28
29
30
|
0,979
0,959
0,940
0,922
0,905
|
|
Voorbeeld: gemeten 100
mS bij 20 °C dan is dit 1,116 x 100
= 111,6 mS bij 25 °C
|
In zoetwater is de geleidbaarheid naar verhouding erg laag en wordt de microSiemens (mS) gebruikt. In zeewater is de
geleidbaarheid veel hoger en wordt er in milliSiemens (mS) gemeten.
Omdat er zo'n mooie relatie is tussen zoutgehalte en geleiding wordt bij zeewateraquarianen dan ook vaak het zoutgehalte
(saliniteit) van het zeewater gecontroleerd met een geleidingsmeter. Een dichtheid van 1024 kg/m3 bij 25 'C komt dan
overeen met ca. 54,23 mS.
Overzicht
geleidbaarheid van water
|
|
Gedestilleerd water 1m S
Omkeer osmose water 20-60mS
Regenwater (industrie geb.) 60mS
Regenwater (landelijk geb.) 30mS
Zeewater 54 mS/cm = 54000mS/cm
|
Rio Negro 8mS
Amazone gebied (gemiddeld) 8-70mS
Tanganyikameer 600mS
Drinkwater Amsterdam ca. 500mS
Drinkwater grenswaarde D 2000
|
Praktische toepassingsvoorbeelden
Verschillen in opgeloste zouten en dus ook verschillen in geleidend vermogen betekent eveneens verschillen in osmotische
druk. Dit gegeven vindt bijvoorbeeld een praktisch gebruik bij de beoordeling van plantenbeschadiging. Een Vallisneria,
die in water van 150mS wordt gecultiveerd en in water van 600 mS wordt overgezet ondervindt problemen om dit enorme
verschil zonder schade te doorstaan. Omgekeerd is het net zo moeilijk. Dit voorbeeld betreft dus zuivere onderwaterplanten,
d.w.z aquariumplanten in submerse cultuur.
Niet alleen planten ook vissen ondervinden osmotische problemen bij grote verschillen in geleiding. Denk maar eens aan het
verschil in opgeloste zouten tussen de bak bij de viszaak en die van thuis. Vooral liefhebbers met een zachtwaterbak met
een bijbehorende lage geleiding kunnen vooral bij gevoelige vis hierbij snel in problemen komen. Dus bij het overzetten
van de vis kan met een geleidbaarheidsmeter snel de geleidbaarheid van het water van de bak en van het water in het
vissenzakje bepaald worden en bij grote verschillen zal men het overzetten nog geleidelijker dan normaal moeten laten
gebeuren. Dit kan bijvoorbeeld mooi door de vis vanuit het zakje over te zetten in een plastic (IJs)bakje. Onder in dit
bakje prikt men dan een klein gaatje en men legt een klein steentje in dit bakje. Het aquariumwater zal dan heel langzaam
het bakje instromen en zo kan de vis zeer geleidelijk aan de nieuwe watersamenstelling wennen. De grootte van het gaatje
en/of het gewicht van het steentje kun je dan zo kiezen dat het bv een half uur duurt voordat het bakje (bijna) zinkt.
Het kweken van vissen wordt bij een afwijking van de geleidingswaarden van de biotopen van de vis ook vaak erg moeilijk,
daar de eieren bij, afwijkende waarden sterk zwellen of krimpen. In beiden gevallen zullen legsels verloren gaan. Omkeer
osmose water, op het juiste geleidend vermogen ingesteld, kan dit verhelpen.
Schadelijke stoffen, zoals nitraat, worden eveneens door het meten van het elektrisch geleidend vermogen waarneembaar. In
normale aquaria vindt een geleidelijke verhoging van verschillende substanties, zoals nitraat, fosfaat, chloride en andere
zouten plaats. Zo kan men meten van het geleidend vermogen in vergelijking met het uitgangswater, gemakkelijk vaststellen,
wanneer het tijd is voor waterverversing.
Bronnen: Clubblad januari 2003 van Aquarium Vereniging Velsen , Handbuch Aquarienwasser door H.J.Krause, Limnology Lake and River Ecosystems door R.G. Wetzel , Aqueous Environmental Geochemistry door D. Langmuir
|
|
Copyright Aquariumhobby Nijverdal © 2002
|